Op 1ste Kerstdag 1656 paste de wis-, natuur- en sterrenkundige Christiaan Huygens (1629-1695) voor het eerst met succes het slingerprincipe toe op een uurwerk. De uitvinding van het slingeruurwerk maakte het mogelijk de tijd tot op de seconde bij te houden. Op deze uitvinding werd hem in 1657 door de Statengeneraal patent verleend. Publicaties volgden in 1658 ('Horologium'), 1665 ('Lettres sur les horloges a pendules') en 1673 ('Horologium Oscillatorium'). Toch bleef de toewijzing van de vondst lange tijd omstreden. Zo bestond er reeds een ontwerp voor een slingeruurwerk uit 1641 naar Galileo Galilei, waarvan Huygens in 1660 een afschrift ontving. De zuidnederlandse geleerde Joann Baptiste van Helmont (1577-1644) beschreef het gebruik van een slinger voor tijdmeting in 'Tempore' (1648). Ook de Poolse astronoom Johannes Hevelius, die in Leiden had gestudeerd, construeerde eerder dan Huygens een slingeruurwerk. Voorts claimde de Rotterdamse horlogemaker Simon Douw de vondst. In de praktijk bleek Huygens' systeem echter het meest levensvatbaar. Het beschreven slingeruurwerk loopt op gewichten met gebruikmaking van een zogeheten oneindig koord voorzien van katrollen. Voor de correctie van de grootte van de slingeruitslag ontwierp Huygens in 1659 de zogenaamde cycloïdale boogjes of 'wangen van Huygens'. Bronnen: John Drummond Robertson: The evolution of clockwork (London 1931); E. Zinner: Deutsche und Niederlandische astronomische Instrumente des 11-18 Jahrhunderts (München 1956); Museum Boerhaave: Christiaan Huygens, 1629-1695: Een quaestie van tijd (Leiden 1979/1988); R.D. Dobson: De slinger als tijdmeter (Bocholt/Bredevoort/Aalten, z.j.)
Afbeeldingen: 1) H. Carré: Vadertje Tijd (1735) [Museum Boerhaave, Leiden] 2) Ontwerp Slingerklok (1673) 3) Ontwerp slingerklok met oneindig koord (1658) |